Toelichting kerncijfers schoolverlatersonderzoeken

Algemene opmerkingen

De kerncijfers zijn gebaseerd op de ROA schoolverlatersonderzoeken. Bij deze jaarlijkse onderzoeken worden de afgestudeerden ongeveer anderhalf jaar na het behalen van het diploma
benaderd. De jaartallen in de kolommen verwijzen naar het schooljaar waarin het diploma behaald is.

Belangrijkste vervolgopleidingen, beroepen en branches
Tabellen die betrekking hebben op de belangrijkste vervolgopleidingen, de belangrijkste beroepen en de belangrijkste branches hebben betrekking op de laatste vijf meetjaren. Voor het VO en MBO zijn de tabellen over de belangrijkste vervolgopleidingen gebaseerd op vier meetjaren te weten 2012 tot en met 2015. Opleidingen zijn gecodeerd aan de hand van de ROA opleidingsclassificatie. Beroepen zijn gecodeerd aan de hand van de International Standard Classification of Occupations 2008 (ISCO08) van het ILO. Branches zijn gecodeerd aan de hand van de Standaard Bedrijfs Indeling 2008 (SBI2008) van het CBS.

Gewogen en ongewogen aantallen
De in tabellen vermelde gewogen en ongewogen aantallen hebben betrekking op het aantal respondenten per hoofdcategorie. Dit wil zeggen het totaal aantal respondenten, het aantal respondenten dat een vervolgopleiding is gaan volgen en het aantal respondenten  dat tot de beroepsbevolking behoort. Indien het ongewogen aantal respondenten kleiner is dan 20 worden de cijfers waarop dit aantal betrekking heeft vanwege de betrouwbaarheid niet weergegeven. De antwoorden van deze respondenten worden wel meegenomen bij de berekening van de vijfjaar gemiddeldes. Het kan daarom voorkomen dat er geen jaarcijfers in een tabel staan maar wel totaalcijfers. Dit betekent dus dat ieder individueel jaar minder dan 20 respondenten heeft maar dat het totaal aantal respondenten over vijf meetjaren groter is dan 20.

Arbeidsmarktintrede en baankenmerken
De cijfers met betrekking tot de arbeidsmarktintrede en de baankenmerken hebben betrekking op de beroepsbevolking. Bij de bepaling van deze beroepsbevolking zijn studenten met een bijbaan buiten beschouwing gelaten. Bij de werkzame beroepsbevolking wordt uitgegaan van de nieuwe, internationale definitie. Dit betekent dat men werkzaam is indien men voor 1 uur of meer per week betaald werk heeft.

Inkomen
Behalve voor het laatste meetjaar zijn de cijfers met betrekking tot het bruto maandinkomen en het bruto uurloon voor inflatie gecorrigeerd.

HBO taal en cultuur
In het HBO wordt er voor opleidingen van de sector taal en cultuur (kunstensector) een enigszins afwijkende vragenlijst gehanteerd ten opzichte van de andere HBO sectoren. Hierdoor is het niet altijd mogelijk cijfers voor deze sector te presenteren.

Populatie

VO-Monitor: gediplomeerde schoolverlaters van het algemeen voortgezet onderwijs (HAVO en VWO) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO inclusief de theoretische leerweg) die in een bepaald schooljaar hun diploma hebben behaald. BVE-Monitor: gediplomeerde schoolverlaters van de beroepsopleidende leerweg (BOL) en de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) die in een bepaald schooljaar hun diploma hebben behaald. HBO-Monitor: gediplomeerde afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs die in een studiejaar zijn afgestudeerd (periode loopt van 1 september tot en met 31 augustus in het daaropvolgde kalenderjaar). Hierbij gaat het om de reguliere bachelor opleidingen en de master opleidingen voorzover ze door het centrale register als zodanig erkend worden. De associate degree opleidingen behoren eveneens tot de populatie maar zijn niet in de kerncijfers opgenomen.

Leeftijdgrens

De cijfers voor het VO en MBO zijn gebaseerd op gediplomeerden die niet ouder waren dan 50 jaar. Voor het HBO geldt deze leeftijdbegrenzing niet.

Steekproef

VO-Monitor en BVE-Monitor: voor 2012 tot en met 2015 is een deel van de steekproef afkomstig van scholen die integraal deelnemen aan de monitoren. Het andere deel is gebaseerd op een aselecte steekproef op basis van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) leerlingbestanden. Bij deze steekproef wordt rekening gehouden met de reeds integraal deelnemende onderwijsinstellingen. Vanaf meetjaar 2016 is er geen mogelijkheid meer voor integrale deelname door scholen en is er alleen sprake van een aselecte steekproef op basis van de DUO bestanden. In de meetjaren 2013, 2015 en 2016 zijn voor het MBO alle gediplomeerden benaderd. HBO-Monitor: de steekproef bestaat volledig uit deelnemende hogescholen die ook de adressen e.d. aanleveren.

Veldwerk

Voor de VO-Monitor en de BVE-Monitor werden tot en met meetjaar 2015 de aanbiedingsbrieven en de vragenlijsten verzonden via DUO. DESAN Research Solutions zorgde voor de dataverzameling zelf (schriftelijjk en internet). Met ingang van meetjaar 2016 is voor de VO- en BVE-Monitoren het gehele veldwerk in handen van het CBS. De vragenlijsten konden in 2016 alleen via internet ingevuld worden. Met ingang van 2016 is er een aantal wijzigingen opgetreden in de VO en MBO vragenlijsten waardoor het niet meer altijd mogelijk is om voor vijf meetjaren cijfers te presenteren. Om die reden is voor genoemde onderwijsniveaus soms alleen informatie over meetjaar 2016 beschikbaar. 

Bij de HBO-Monitor vindt verzending via DESAN Research Solutions plaats. Dit bureau verzorgt eveneens de verwerking van de binnenkomende respons van de HBO-Monitor. Deze respons vindt via internet plaats als ook via schriftelijke vragenlijsten. Bij de HBO-Monitor wordt er in incidentele gevallen aanvullend telefonisch geënquêteerd. In onderstaande tabel staan de responspercentages van de afgelopen vijf meetjaren.

Weging

VO en BVE
De populatiebestanden waaruit de steekproeven getrokken worden zijn afkomstig van DUO. Van de verschillende onderwijsniveaus waar de steekproef van getrokken wordt zijn de populatiecijfers beschikbaar met alle bijbehorende achtergrond- en administratiekenmerken. Naast deze steekproef zijn er tot en met meetjaar 2015 scholen die integraal deelnemen aan het onderzoek en de agrarische instellingen (AOC's). Omdat op landelijk nievau voor alle AOC's een vast percentage van de gediplomeerden in de steekproef moet zitten worden ze als integraal deelnemende instellingen beschhouwd. Bij de steekproeftrekking worden alle integraal deelnemende scholen als eerste in de steekproef opgenomen waarna uit het restant de aanvullende steekproef getrokken wordt. De steekproef is een disproportioneel gestratificeerde steekproef hetgeen inhoudt dat de verhoudingen in de steekproefgroepen ongelijk zijn aan de verhoudingen in de populatiebestanden. Om tot representatieve uitkomsten voor de gehele doelgroep te komen, moet in dit geval een weging van de resultaten plaatsvinden.

Voor de weging wordt een onderscheid gemaakt naar onderwijsniveau. Binnen het onderwijsniveau naar de verschillende steekproefgroepen en binnen de steekproefgroepen naar de verschillende leerwegen of niveau’s. Bij de weging wordt het populatie-aantal gedeeld door de steekproef, op deze manier wordt eveneens geprojecteerd naar het populatie-aantal. De gediplomeerden van de integraal deelnemende scholen worden apart gewogen en naar de eigen populatie opgehoogd. Vervolgens worden de respondenten van de aanvullende steekproeven apart gewogen. Er wordt gewogen naar de populatieverhouding met betrekking tot de onderwijstype, niveau, leerweg, en binnen de leerwegen naar geslacht.

HBO
De populatiecijfers van het HBO wordt verkregen via het CBS. Het CBS baseert deze cijfers op informatie van DUO. Op verzoek worden deze geleverd verdeeld naar CROHO code, regio (provincie), voltijd/deeltijd en geslacht. De weging voor HBO is een vier dimensionele weging naar opleiding (CROHO-niveau), duaal/voltijd/deeltijd, regio (westen vs. rest) en geslacht.

Een weegfactor wordt bepaald door het populatie-aantal te delen door het steekproefaantal. Voor het HBO kunnen hier twee twee problemen aan het licht komen:
1) het steekproefaantal is groter dan het populatie-aantal of 2) het populatie-aantal is 0. In beide gevallen wordt het populatie-aantal gebruikt van het jaar ervoor. Indien dit populatie-aantal ook niet toereikend of niet bekend is, wordt het totale aantal benaderde afgestudeerden als populatie-aantal gebruikt. Aangezien echter voor de non respondenten het kenmerk geslacht onbekend is, vindt de weging dan alleen plaats op de kenmerken opleiding, regio en eventueel duaal/ voltijd/ deeltijd.

Na het bepalen van de weegfactoren worden deze gecontroleerd op consistentie en waarschijnlijkheid. Wanneer de populatie van het jaar ervoor minstens twee keer zo groot was, wordt uitgezocht wat hier de oorzaak van is. Tot op heden werd dit veroorzaakt door kleine aantallen of nieuwe opleidingen. Daarnaast moet de uiteindelijke weegfactor kleiner zijn dan drie maal de weegfactor van de onderwijssoort als totaal. Is dit wel het geval dan wordt één weegkenmerk buiten beschouwing gelaten en vervolgens de controleregel opnieuw bekeken. Genoemde controle vindt alleen plaats in gevallen waar het steekproefaantal kleiner is dan 50. In een aantal gevallen wordt de weegfactor 1 toegekend, namelijk wanneer de opleidingscode niet specifiek genoeg is of het kenmerk geslacht onbekend is.

De HBO kunstenopleidingen worden apart gewogen. In het verleden bleek dat de populatie-aantallen van de kunstenopleidingen onbetrouwbaar waren. Als populatie geldt het totaal aantal uitgezette vragenlijsten.

Informatie
Voor publicaties en meer informatie over de schoolverlatersonderzoeken zie
www.roa.nl. Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met Timo Huijgen (t.huijgen@maastrichtuniversity.nl).